WILBERT

Wildauer Bücher+E-Medien Recherche-Tool

feed icon rss

Your email was sent successfully. Check your inbox.

An error occurred while sending the email. Please try again.

Proceed reservation?

Export
  • 1
    Electronic Resource
    Electronic Resource
    Springer
    European journal of plant pathology 85 (1979), S. 253-268 
    ISSN: 1573-8469
    Keywords: Antagonism ; induced antagonism ; sclerotia ; suppressive soil ; biological control ; hyphal interaction ; toxin production ; Gliocladium roseum ; G. vitrens ; G. nigrovirens ; Volutella ciliata ; Trichoderma spp. ; Penicillum spp. ; Nectria pityrodes ; Pythium oligandrum ; Colletotrichum coccodes ; Hormiactis fimicola ; Trichocladium asperum ; Arthrobotrys oligospora ; Acremonium verruculosum ; Streptomyces spp. ; Verticillium spec.
    Source: Springer Online Journal Archives 1860-2000
    Topics: Agriculture, Forestry, Horticulture, Fishery, Domestic Science, Nutrition
    Description / Table of Contents: Samenvatting In de meeste Nederlandse aardappelakkers komen schimmels voor dieRhizoctonia solani kunnen aantasten en doden. De meest algemene, en waarschijnlijk ook de meest belangrijke, die we tot nu toe vonden, isGliocladium roseum (Tabel 1). Het is bekend, dat deze schimmel stoffen produceert die voorR. solani giftig zijn. Met behulp hiervan kanG. roseum, evenals andere antibiotisch actieve micro-organismen, ook de sclerotiën doden (Tabel 2). Voor doding doorG. roseum is de temperatuur een factor van belang. Hyfen worden nog gedood bij een temperatuur van 12°C, waarbij de sclerotiën niet meer aangetast kunnen worden. Gedurende het winterseizoen worden sclerotiën door deze schimmel naar alle waarschijnlijkheid niet gedood. De ontwikkeling van de populatie vanG. roseum en andere antagonisten vanR. solani werd gevolgd in aardappelvelden op een licht zure zandgrond en op een neutrale zware zavel. Op de zandgrond werden twee proefplekken bemonsterd: één waarop voor het vierde achtereenvolgende jaar aardappelen werden geteeld en één met een vruchtwisselingsschema van graan, bieten en aardappelen. In de zandgrond nam in het groeiseizoen de populatie vanG. roseum toe. Op de proefplek waar voor het vierde jaar achtereen aardappelen stonden werdR. solani vanaf half augustus onderdrukt, evenwel niet volledig. Ook in het vruchtwisselingsstuk breiddeG. roseum zich flink uit, doch een onderdrukking vanR. solani werd niet bereikt. In de zware zavel nam de populatie vanG. roseum niet toe. Hier werdR. solani — uit besmet pootgoed — onderdrukt doorColletotrichum coccodes (zelf een pathogeen van stolonen) en antagonistische bacteriën. De resultaten zijn vermeld in Tabel 3. De besmetting van de geoogste knollen met sclerotiën, zoals die voorkwam op de zandgrond, is in Tabel 4 vermeld. Op de zavel leverde schoon pootgoed een bijna schone oogst (2% van de knollen was zeer licht bezet met sclerotiën). Besmet pootgoed leverde een oogst met 58% schone knollen, 35% met een zeer lichte en 7% met een iets zwaardere sclerotiënbezetting. Hoewel uit 100% besmet pootgoed een veel schonere oogst werd verkregen, was eerder toch een beschadiging van het gewas opgetreden. Pas tegen het eind van het groeiseizoen werdR. solani flink onderdrukt.
    Notes: Abstract Gliocladium roseum was found to be the most common and probably the most effective mycoparasite in potato fields in the northern parts of the Netherlands. It is able to parasitize and kill living hyphae at temperatures of 12°C and higher. Sclerotia ofR. solani are often infected and killed by this fungus under suitable conditions, i.e. at temperatures of 16°C and more. Killing of sclerotia by other antagonistic organisms was also observed. It is also shown by not parasitic fungi and is caused by toxins produced by the antagonist. The development of theG. roseum population was studied during the growth of a potato crop in two soils. In both soils its initial level was very low. In both a slightly acid sandy soil and a neutral sandy loam, suppression ofR. solani can occur;G. roseum accumulated in the former mainly under continuous potato crops,Colletotrichum coccodes was the main antagonist in the latter.
    Type of Medium: Electronic Resource
    Location Call Number Limitation Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 2
    Electronic Resource
    Electronic Resource
    Springer
    European journal of plant pathology 89 (1983), S. 21-29 
    ISSN: 1573-8469
    Keywords: antagonists ; sclerotia ; holocene and pleistocene soils ; saprophyticR. solani strains ; Gliocladium roseum ; Hormiactis fimicola ; Volutella ciliata ; Streptomyces sp. ; Verticillium sp. ; Gliocladium sp. ; Penicillium sp. ; Trichoderma sp.
    Source: Springer Online Journal Archives 1860-2000
    Topics: Agriculture, Forestry, Horticulture, Fishery, Domestic Science, Nutrition
    Description / Table of Contents: Samenvatting Met behulp van proefplekken, waarop zowel metRhizoctonia besmet als schoon pootgoed is gezet, is geprobeerdRhizoctonia- onderdrukkende gronden te vinden. In 1978 bleek op geen van de 50 proefplekken op klei- en zavelgrond in Groningen, Friesland of de N.O.P., bepoot met Bintje pootgoed uit Noord-Groningen, het optreden van de ziekte onderdrukt te worden. Van de 12 proefplekken op het zand, bepoot met Ehud pootgoed van het zand, bleek één sterk, twee, matig en één licht onderdrukkend te werken. In 1979 werden 63 plekken op klei-, zavel- en zandgrond bepoot met Bintje pootgoed uit Flevoland. Slechts op twee plekken op het zand en één op de klei werd een lichte onderdrukking geconstateerd. De plek naast die welke in 1978 met zandpoters een sterke onderdrukking vertoonde, bleek geen onderdrukking te vertonen wanneer het veld was bepoot met kleipoters. Wel bleken de sclerotiën sterk geïnfecteerd te zijn met een antagonistische schimmel. In 1979 bleek 73% van de sclerotiën gevormd op aardappelen in zandgrond met antagonistische schimmels geïnfecteerd te zijn en slechts 25% van de sclerotiën op aardappelen in klei- en zavelgronden. Geconcludeerd werd, dat de onderdrukking vanRhizoctonia in aardappelakkers veroorzaakt kan worden door de combinatie van twee factoren, nl.: 1. de (overvloedige) aanwezigheid van antagonisten in de grond. Deze moeten behalve in de grond ook groeien op het oppervlak van de ondergrondse delen van de aardappelplant, en 2. de antagonisten aanwezig op het oppervlak van de pootknol en op en in de sclerotiën. Verondersteld wordt, dat deze moeten ‘passen’ in de microflora van de grond. Samen met antagonisten uit de grond kunnen ze bijdragen aan de onderdrukking vanR. solani. Kennelijk is deze combinatie van factoren in onze proeven zelden bereikt. Verder onderzoek is gericht op het toetsen van deze veronderstelling.
    Notes: Abstract A search was made forRhizoctonia solani-suppressive soils by establishing many small experimental plots, half of which were planted withRhizoctonia-infected seed potatoes and the other half with disinfected seed stock. The sclerotium index of the harvested tubers was compared witht that of the seed potatoes. In suppressive soils, the sclerotium index of the harvest is much lower than that of the seed potatoes. None of the plots on holocene marine soils (loamy sand, sandy loam, clay loam and clay) proved to be suppressive in 1978 and 1979. Only on pleistocene, slightly acid sandy soil suppressiveness was observed. In 1978, four out of twelve plots showed suppressiveness when the plots were planted with seed potatoes produced on a sandy soil. In 1979, only two out of thirtyone plots were slightly suppressive when planted with seed potatoes produced on a young clay loam from a new polder. A higher percentage of sclerotia on tubers from sandy soils proved to be infected with antagonistic fungi (73%) than of those on tubers from marine clay or loam soils (25%). Factors that influence suppressiveness are suggested.
    Type of Medium: Electronic Resource
    Location Call Number Limitation Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 3
    Electronic Resource
    Electronic Resource
    Springer
    European journal of plant pathology 90 (1984), S. 117-126 
    ISSN: 1573-8469
    Keywords: hyperparasitism ; Verticillium biguttatum ; Gliocladium roseum ; Hormiactis fimicola ; Trichoderma hamatum ; suppressive soil ; sclerotia
    Source: Springer Online Journal Archives 1860-2000
    Topics: Agriculture, Forestry, Horticulture, Fishery, Domestic Science, Nutrition
    Description / Table of Contents: Samenvatting Inoculative van pootaardappelen metVerticillium biguttatum, apart of sament met drie andere hyperparasieten, had een gunstig effect op het onderdrukken vanRhizoctonia solani op de plant;Trichoderma hamatum, Gliocaldium roseum enHormiactis fimicola, ieder apart toegediend, boden de plant op lange termijn geen bescherming tegenR. solani onder praktijkomstandigheden.H. fimicola bleek bij lage temperatuur, waarbijV. biguttatum geen groei-activiteit meer vertoonde, op hyfen en sclerotiën vanR. solani te kunnen groeien. Toepassing van deze schimmel enV. biguttatum in een gemengde inoculatie zou over een breder temperatuurtraject effectief kunnen zijn. Tegen het einde van het groeiseizoen vond er op de ondergrondse plantedelen een verschuiving plaats, waarbijG. roseum meer op de voorgrond trad. Verondersteld wordt dat de afname vanV. biguttatum op stolonen hiervan een gevolg was. De produktie van sclerotia op nieuwe aardappelen afkomstig van metV. biguttatum behandeld pootgoed (alleen of met andere hyperparasitaire schimmels) bleek sterk verminderd te zijn. Vooral dit gegeven maakt de biologische bestrijding vanR. solani interessant:V. biguttatum blijkt ook op lange termijn effectief te zijn.
    Notes: Abstract Inoculation of seed potatoes withVerticillium biguttatum and three other hyperparasitic fungi, alone or in combination, resulted in statistically significant reduction of infestation of potato plants byRhizoctonia solani. Gliocladium roseum, Trichoderma hamatum andHormiactis fimicola did not show prolonged protection againstR. solani under farming conditions.H. fimicola, however, inhibited mycelial growth ofR. solani in vitro, particularly in the lower temperature range whereV. biguttatum did not show any growth. Combining these two antagonistic fungi may be advantageous as they cover the entire temperature range in whichR. solani is active. At the end of the vegetation period,V. biguttatum was superseded byG. roseum. Production of sclerotia on newly formed tubers from seed potatoes inoculated withV. biguttatum (alone or in combination with the other three antagonists) was significantly reduced.
    Type of Medium: Electronic Resource
    Location Call Number Limitation Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 4
    Electronic Resource
    Electronic Resource
    Springer
    European journal of plant pathology 89 (1983), S. 113-123 
    ISSN: 1573-8469
    Keywords: Mycoparasites ; Gliocladium roseum ; G. nigrovirens ; Hormiactis fimicola ; Trichoderma hamatum
    Source: Springer Online Journal Archives 1860-2000
    Topics: Agriculture, Forestry, Horticulture, Fishery, Domestic Science, Nutrition
    Description / Table of Contents: Samenvatting Sclerotiën vanRhizoctonia solani, die bij het rooien van aardappelen op de knollen zitten, blijken veelvuldig geïnfecteerd te zijn met de schimmelVerticillium biguttatum. In dit onderzoek is aangetoond datV. biguttatum in staat is de sclerotiën vanR. solani te doden. Dit effect wordt bereikt zowel wanneer de beënte sclerotiën geïncubeerd worden op perliet als in grond.V. biguttatum kan zich ook in het bodemmilieu goed op de sclerotiën handhaven. In vergelijking met de doding van sclerotiën doorV. biguttatum is het effect van andere bekende mycoparasieten alsGliocladium roseum enHormiactis fimicola vrij gering, en dat vanGliocladium nigrovirens enTrichoderma hamatum zelfs te verwaarlozen. De temperatuur blijkt voor de activiteit vanV. biguttatum een belangrijke factor. Pas tussen 10 en 15°C treedt groei en doding van sclerotiën op. Onder laboratoriumomstandigheden bij 15°C resulteerde een behandeling van sclerotiëndragende pootaardappelen in een vermindering van deRhizoctonia-aantasting van de jonge spruiten. De ontwikkeling vanRhizoctonia-mycelium op de ondergrondse stengels was bij de onbehandelde aardappelen aanzienlijk groter. V. biguttatum groeide bij de behandelde serie met de spruiten mee. Ook bij de onbehandelde objecten trad een sterke kolonisatie van het stengeloppervlak doorV. biguttatum vanuit de grond op. HoewelV. biguttatum ook zonderR. solani voorkomt als bewoner van aardappelstengels, lijkt het frequente voorkomen vanV. biguttatum in aanwezigheid vanR. solani te duiden op een interactie op het stengeloppervlak. In een kleine veldproef kon vermindering van de stengelaantasting door behandeling van het pootgoed metV. biguttatum niet worden aangetoond. De onderdrukking van de sclerotiumbezetting op de eindoogst bleek evenwel aanzienlijk. In latere veldproeven, waarover nog gepubliceerd zal worden, werd ook een effect op de stengelaantasting geconstateerd. De uitkomsten bieden perspectief voor de toepassing vanV. biguttatum als biologische bestrijder vanR. solani in de praktijk. De vraag ofV. biguttatum de aardappelplant ook bescherming biedt tegenRhizoctonia-infectie vanuit de grond dient nader te worden onderzocht.
    Notes: Abstract A common mycoparasite,Verticillium biguttatum, was found to kill sclerotia ofRhizoctonia solani placed on an inert material (perlite) as well as in soil at 15°C and 20°C, but not at 10°C. Compared with the effectivity ofV. biguttatum, that ofGliocladium roseum, Gliocladium nigrovirens, Hormiactis fimicola andTrichoderma hamatum on sclerotia was only low. In laboratory experiments, treatment of sclerotia-bearing seed potatoes withV. biguttatum reduced disease symptoms in the first stage of growth of the potato plant.V. biguttatum was found to occur on the subterranean part of the potato plant. On untreated plants the surface of the sprouts was colonised byV. biguttatum originating from the soil, presumably partly in response to the presence ofR. solani mycelium. In a preliminary field experiment,Verticillium treatment did not reduce symptoms on the stem. However, there was a marked reduction in sclerotium formation on the newly formed potato tubers. This offers perspectives for a commercial use ofV. biguttatum in the control ofR. solani.
    Type of Medium: Electronic Resource
    Location Call Number Limitation Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 5
    Electronic Resource
    Electronic Resource
    Springer
    European journal of plant pathology 91 (1985), S. 49-63 
    ISSN: 1573-8469
    Keywords: disease index ; sclerotium index ; suppression ; mycoparasites ; Azotobacter chroococcum ; Cylindrocarpon destructans ; Gliocladium roseum ; G. virens ; G. nigrovirens ; Hormiactis fimicola ; Penicillium spp. ; Pyxidiophora sp. ; Streptomyces spp. ; Trichoderma spp. ; Volutella ciliata
    Source: Springer Online Journal Archives 1860-2000
    Topics: Agriculture, Forestry, Horticulture, Fishery, Domestic Science, Nutrition
    Description / Table of Contents: Samenvatting Het beënten van poters met de opRhizoctonia solani parasiterende schimmelVerticillium biguttatum isolaat M73 in combinatie metGliocladium roseum (1981) of metV. biguttatum M73 alleen of in combinatie met isolaat M180 plus antibiotische isolaten van de bacterieAzotobacter chroococcum (1982), bleek effectief in het terugdringen of het onderdrukken vanR. solani op stengels en stolonen en het verminderen van de aantasting. Beënting van het pootgoed leidde tot een vermindering van de sclerotium (lakschurft)-vorming op de nieuwe knollen, vooral in klei-en zavelgronden. In 1981 leidde beënting van poters tot reductie in de sclerotiumvorming van gemiddeld 22 en 42% voor de oogst uit schoon en 15 en 26% voor de oogst uit besmet pootgoed geteeld op respectievelijk zandgrond en klei- en zavelgrond. In 1982 leidde beënten van de poters uitgeplant in licht zure zandgrond tot een gemiddelde reductie van de sclerotiumindex van de oogst van 22%. In zwaar besmette zandgrond trad evenwel geen reductie op; de infectiedruk was hier te groot. In de neutrale zavel- en kleigronden, vaak ook in de zwaarder besmette percelen werden aanzienlijke reducties bereikt, in de licht besmette gemiddeld 51–68% en in de zwaarder besmette 4–43%. Ontsmetten van pootgoed bleek alleen effectief in percelen die licht metR. solani waren besmet. In beide jaren bleek beënten van pootgoed met antagonisten te resulteren in een significant lagere sclerotiumindex van de oogst (p=0,1% in 1981; p=5% in 1982). V. biguttatum was veel vaker en meer aanwezig op de ondergrondse stengeldelen en stolonen van planten uit beënt pootgoed dan op die van niet beënte poters. De laatsten werden gekoloniseerd door wilde stammen vanV. biguttatum uit de grond, die vaak minder effectieve antagonisten waren. Beënting van vroeg gepote knollen — als de temperatuur nog te laag is voor de groei vanV. biguttatum — leverde toch gunstige resultaten op.
    Notes: Abstract Inoculation of seed potatoes with the mycoparasiteVerticillium biguttatum, isolate M73 (combined withGliocladium roseum in 1981, either alone or mixed with isolate M180 plus antibiotics-producing isolates ofAzotobacter chroococcum in 1982) repeatedly proved successful in reducingRhizoctonia solani on stolons and stems. In field experiments, this ultimately led to a reduced formation of sclerotia on new tubers, particularly in neutral sandy loam and clay loam soils. In 1981 inoculation with antagonists led, when compared with no inoculation, to average reductions of 22 and 42% for the harvest from clean, and 15 and 26% for the harvest from infected seed tubers grown on slightly acid sandy soils and on neutral loam soils, respectively. The harvest from clean, inoculated seed tubers had the lowest sclerotium index. In 1982 inoculation of seed tubers planted in slightly acid sandy soils gave reductions of the sclerotium index of up to 22%. In the neutral marine loam soils considerable reductions were often achieved, viz., in slightly infected loams 51–68% and in rather heavily infected ones 4–43%. Chemical disinfection of seed tubers proved effective only in loam soils that were slightly infested withR. solani. In both years inoculation of seed tubers with antagonists led to significantly lower sclerotium indices of the harvest (p=0.1% in 1981; p=5% in 1982). V. biguttatum was present more frequently and in greater densities on stems and stolons of plants from inoculated than from non-inoculated seed tubers. The latter were colonized by wildV. biguttatum strains from the soil, apparently less effective antagonists. Early in the season, the soil temperature was too low for growth ofV. biguttatum. Nevertheless, inoculation of tubers that were planted early resulted in a considerable cotrol ofR. solani.
    Type of Medium: Electronic Resource
    Location Call Number Limitation Availability
    BibTip Others were also interested in ...
Close ⊗
This website uses cookies and the analysis tool Matomo. More information can be found here...